gedicht van Hans van Druten
Diep



ze zijn er bijna niet
zoals heel slanke vrouwen
na veel licht verdriet

de avond valt, de donkere dennen suizen
heel zacht en 't oevergras gaat al pluizen
terwijl 't beuren van toen naar nu vervluchtigt

hij staat bij 't huis in vage wacht
bij 't peinzend ruisen van de prille popels
van blinkend licht en lucht g'zwierde woorden

in 't ochtendrood glinsteren
als paarlemoer stippellijntjes
nachtelijke sporen van slakken

eenzaam worden om een kievitskreet
het zwelt haar mond uit

dat jongetje is weggevlogen
een man geworden met grote dromen

windbewogen nevel en gestuif van bladeren
de wind gromt, en d' avondwind
op nieuwe nachtangsten zint

zij in haar bootje op all' wind gespind
zou 't haar liefde kunnen zijn
langs wolken, buien en donder?

ergens diep in 'r vooronder
even diep voelen
vier, vijf vingers diep

haar riep