Diep
ze zijn er bijna niet
zoals heel slanke vrouwen
na veel licht verdriet
de avond valt, de donkere dennen suizen
heel zacht en 't oevergras gaat al pluizen
terwijl 't beuren van toen naar nu vervluchtigt
hij staat bij 't huis in vage wacht
bij 't peinzend ruisen van de prille popels
van blinkend licht en lucht g'zwierde woorden
in 't ochtendrood glinsteren
als paarlemoer stippellijntjes
nachtelijke sporen van slakken
eenzaam worden om een kievitskreet
het zwelt haar mond uit
dat jongetje is weggevlogen
een man geworden met grote dromen
windbewogen nevel en gestuif van bladeren
de wind gromt, en d' avondwind
op nieuwe nachtangsten zint
zij in haar bootje op all' wind gespind
zou 't haar liefde kunnen zijn
langs wolken, buien en donder?
ergens diep in 'r vooronder
even diep voelen
vier, vijf vingers diep
haar riep